Veldwerkmethodieken aanleren, inzichten krijgen in de samenhang binnen de natuur, onderzoek verrichten en onderzoek presenteren en dat alles in de stralende regen. Kortom, biologische veldwerkdagen. Niet voor watjes! Je onderzoek ook nog eens publiceren in de vorm van een webpublicatie als eerste stap naar wetenschappelijke publicatie. 4 Examenleerlingen van 6 vwo viel deze eer ten deel. 

Lieke Lammers, Merel Claesen, Melpomeni Wasipoulos en Godelieve Hermus

In het meer de Ward wordt een school brasems uitgezet om de biodiversiteit groter te maken. Hiervoor moeten de omstandigheden in de Ward eerst optimaal gemaakt worden voor de brasem. Er wordt hiervoor een literatuuronderzoek gedaan en een veldonderzoek. Deze onderzoeken staan in het thema van de vraag: ‘Wat heeft de Ward nodig om het leven van een school brasems optimaal te maken?’

Habitat- en milieu-eisen

De leefomgeving van een brasem moet aan een aantal voorwaarden voldoen. In ieder geval is er een goede waterkwaliteit nodig, zodat alle processen in het lichaam
kunnen plaatsvinden. Opgesomd heeft een brasem de volgende dingen nodig voor zijn bestaan:
– Goede waterkwaliteit
– Voldoende voedsel
– Schuilgelegenheid (tegen predatoren) en andere (ruimtelijke) eisen

Waterkwaliteit

Brasems hebben net als mensen zuurstof nodig om te overleven. Echter, het zuurstofgehalte in water is veel lager dan in lucht. Brasems (en andere vissen) hebben
daarom een efficiënt ademhalingsapparaat, de kieuwen. In langzaam of niet stromend water zorgen algen en waterplanten voor zuurstof, door middel van fotosynthese.
Een zuurstofgehalte tussen de 8 en 12 mg/L is optimaal voor de brasem. Het minimale zuurstofgehalte ligt rondde 4 mg/L. De brasem is een vissensoort die zowel in
diep als ondiep water kan leven, omdat het dier goed bestand is tegen de extreme uitschieters in het zuurstofgehalte die in ondiep water voor kunnen komen. Het is ook
belangrijk dat de gehaltes van ammoniak (NH3), nitraat (NO3-) en nitriet (NO2-) laag blijven. NO3- mag niet hoger zijn dan 20 mg/L en NO2- niet hoger dan 0,5 mg/L. Een te
hoog NH3-gehalte – en dit is al te hoog vanaf 0,02 mg/L -kan leiden tot ammoniakvergiftiging. Het fosfaatgehalte heeft minder invloed en mag dus ook wat hoger liggen. Verder komt in Nederland de brasem voor in wateren met een pH van 4,4 of hoger (sportvisserij Nederland, z.d.).

Voedsel

Een pasgeboren brasem voedt zichzelf met fyto- en zoöplankton. Brasems van twee jaar en ouder eten voornamelijk bodemorganismen zoals muggenlarven, libellelarven en andere insecten. Ook omvat het dieet grotere organismen zoals slakken en mosselen. De
brasem kan zijn bek uitstulpen en in de bodem naar voedsel zoeken. Op gunstige plaatsen graven brasems gezamenlijk in modder of in het zand, waar ze eetbare bodemdiertjes uitfilteren. Modder en plantdelen worden uitgespuugd. Hiervoor is een modderige bodem een eis. Zijn er geen bodemdiertjes te vinden dan schakelen ze over op plantaardig materiaal en plankton (Van Emmerik, W. A. M., 2008).

Schuilgelegenheid en andere eisen

De brasem heeft een aantal vijanden en concurrenten. Vooral 1- en 2-jarige brasems worden door roofvissen zoals snoek, snoekbaars, baars en aal gegeten. De
concurrenten van de brasem zijn de karper en de blankvoorn. Deze vissen eten ook graag
bodemorganismen. Er heerst daarom vaak een strijd tussen deze vissen bij het vergaren van voedsel (Van Emmerik, W. A. M., 2008). De optimale leefomgeving van de brasem is helder plantenrijk water, maar hij kan zich ook handhaven in zeer troebele geëutrofieerde wateren. In deze minder goede omstandigheden ontwikkelt de brasem zich vaak in kommervormen (ze groeien langzaam en planten zich al bij geringe afmetingen voort). Omdat de brasem vaak voedsel uit de bodem haalt, woelt hij de bodem ook om.
Zo zorgt hij zelf voor troebeler water. Daarom kan de brasem dus wel overleven in troebel water. Verder komt de brasem voor in stilstaande en langzaam stromende wateren. Een lage zichtdiepte is gunstig voor de ontwikkeling van een dichte brasemstand. Het water
mag niet dieper zijn dan 3,5 meter en er moeten plekken zijn die rond de 30 cm diep liggen in verband met de paai (voortplanting) (Van Emmerik, W. A. M., 2008).

Methoden

• Gehaltes NH3, NO3-, NO2- en PO4/3- en pH bepalen: Veldtechniek ‘Colombo testset meetkaarten’
• Grondsoort: Veldtechniek ‘grondsoort bepalen’
• Helderheid: Veldtechniek ‘helderheid van water bepalen’
• Stroomsnelheid: Veldtechniek ‘stroomsnelheid meten’
• Biodiversiteit dieren: Veldtechniek ‘met schepnet
biodiversiteit dieren onderzoeken’
• Biodiversiteit planten: Veldtechniek ‘planten zoeken met app ‘Google Lens’’

Resultaten

In de onderzoeksperiode zijn monsters genomen uit het water van de Ward in Bemmel. De gehaltes van NH3, NO3 -, NO2- en PO43- lagen allemaal in de buurt van de 0
mg/L. Omdat de gehaltes van deze mineralen laag zijn is er waarschijnlijk een hoog zuurstofgehalte. Als deze mineralen wel aanwezig zouden zijn in het water, zou dit
leiden tot eutrofiëring (sterke algenbloei), waardoor licht en zuurstof weg worden genomen voor andere organismen. Door de lage gehaltes van de mineralen kan ervanuit gegaan worden dat het zuurstofgehalte hoog genoeg is. Er werd een pH-waarde gemeten van rond de 8, wat duidt op een neutraal/basisch milieu. De diepte van de Ward is 1,45 meter. Bij de oever zijn er stukken van 25 – 30 cm diep. De bodem van de Ward bestaat uit zand. Er kan namelijk een hoopje van worden gemaakt en dit wijst op de bodemsoort zand. De oevers bestaan uit klei. Daar was een laagje wat kon worden gevormd in een cirkel, hetgeen wijst op de bodemsoort klei. Verder is er tijdens het onderzoek gebleken dat de helderheid van het water uitstekend is. De helderheidsschijf kwam tot op de bodem en nog steeds was het verschil tussen zwarte en witte vlakken te onderscheiden. De stroomsnelheid bedroeg 0 m/s. Ook zijn er andere organismen aangetroffen in het onderzoeksgebied: kikkers, libellen, slakken, libellelarven, voorntjes, watervlo ‘s, schrijvertjes en een Acheilognathus
Melanogaster (vis uit familie van de karper). Op het water bevonden zich bloeiende waterlelies. Verder is er rietgras gevonden.

Conclusie

Uit dit onderzoek blijkt dat de Ward zeker een goede leefomgeving is voor brasems. De lage gehalten van NH3, NO3-, NO2- en PO43- en een hoog genoeg zuurstofgehalte wijzen op een optimale waterkwaliteit. Deze waarden zijn waarschijnlijk zo, omdat het meer oorspronkelijk is aangelegd als zwemwater. Hoge gehaltes van NH3, NO3-,NO2- en PO43- zijn niet gezond voor mensen. De diepte is voldoende. Er zijn ook ondiepere stukken aanwezig voor de paai (voortplanting). Ook zijn er geen predatoren in de Ward aanwezig die de brasems zouden kunnen bedreigen. Er zijn wel vissen uit de familie van de karper
aanwezig. Deze zouden concurrenten op het gebied van voedsel kunnen zijn. De voedselvoorziening in het algemeen is niet heel ruim. Zeker wanneer de brasems zich beginnen voort te planten is er een kans dat er niet meer genoeg voeding is voor ze. Een oplossing daarvoor is om het gebied rond de Ward aantrekkelijker te maken voor libellen door voor een uitgebreidere oevervegetatie te zorgen. Op deze manier komen er meer libellelarven voor de brasems. Verder zou een meer modderige bodem van het meer kunnen zorgen voor extra wormen etc. Hierdoor zou de voedselvoorziening kunnen toenemen.

Discussie

Het onderzoek is in één dag uitgevoerd. Dat beperkt de waarde van het onderzoek. De waardes die gemeten zijn in het onderzoek zijn een momentopname. Deze kunnen afwijken van de gemiddelde waardes van een heel jaar. Een waarde die niet gemeten kon worden is de temperatuur van het water. De diepte van het meertje kon ook niet accuraat worden gemeten doordat het niet mogelijk was om bij het midden van het meer te komen. Wat ook
niet volledig gemeten kon worden is de biodiversiteit van het meertje. Daar is meer tijd voor nodig. De gebruikte methoden om de waarden van de mineralen te meten waren vrij onnauwkeurig. De waarden op de meetkaarten (bijvoorbeeld NH3-kaart) liggen ver uit
elkaar. Het kan daarom zijn dat de waarden in werkelijkheid iets hoger zijn dan het getal dat bij de betreffende kleur aangegeven wordt. Bij de metingen van NO3-, NO2-en PO4/3- was dit niet erg, omdat de maximaal toelaatbare gehalten voor de brasem ruim hoger zijn dan de bandbreedte van de meting. Echter, voor NH3 kan deze onnauwkeurigheid van de meting een belangrijk verschil gemaakt hebben. De bandbreedte van de NH3-meting
was 0,0 – 0,5 mg/L, terwijl het voor de brasem maximaal toelaatbare NH3-gehalte slechts 0,02 mg/L is.
Verder moeten de gehaltes van NH3, NO3-, NO2- en PO4/3- altijd iets hoger dan 0 zijn. Er is namelijk altijd een zekere hoeveelheid van deze mineralen aanwezig door uitwerpselen van vissen en afbraak van organisch materiaal. Ook gaan er vissen en andere organismen dood, wat leidt tot vorming van mineralen. Er zit dus altijd een natuurlijke
hoeveelheid van deze stoffen in het meer.

Vanwege de lay-out kunnen bronnen en bijlagen niet worden weergegeven op deze site.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here